Dat Generatie Z te weinig sport, is niets nieuws. Waar acht op de tien 16-18 jarigen nog wekelijks aan sport doet, daalt dit percentage bij 19-25 jarigen al tot 68%, zo bleek uit de eerste Vlaamse monitor Sport en Beweging van Sport Vlaanderen. Maar welke factoren zorgen er nu voor dat jongeren net wel of net niet sporten? Op welke kenmerken verschillen sporters van niet-sporters bij Gen Z? Het antwoord op deze vragen is niet zo evident.

Er is al veel onderzoek gevoerd naar de invloed van persoonlijke kenmerken van jongeren, zoals hun sociale achtergrond, de vrienden waarmee ze optrekken, … De laatste jaren is er ook steeds meer aandacht voor de invloed van sociale en fysieke omgevingskenmerken, zoals de buurt waarin ze wonen, het beleid dat gevoerd wordt in hun stad of gemeente, of er voldoende sportinfrastructuur is, …

De meeste studies onderzoeken de relatie tussen sportbeoefening en één of enkele van deze kenmerken, waardoor er maar weinig inzicht is in het samenspel tussen al deze kenmerken. En dat laatste is net wat centraal staat in het zogenaamde sociaalecologisch (sport)model (zie o.a. Hoekman, 2018; Van Tuyckom, 2011).

Omgeving van Gen Z bestaat uit verschillende lagen met impact op sportgedrag

Het sociaalecologisch model is niet nieuw. Bronfenbrenner ontwikkelde zijn sociaalecologische theorie al in de jaren 1980. In die theorie vertelt hij hoe de omgeving van een jongere bestaat uit verschillende lagen, net zoals een ui verschillende lagen heeft: persoonlijke kenmerken, interpersoonlijke relaties (zoals het gezin of de vriendengroep), sociale en fysieke omgeving (zoals de wijk of de buurt), gemeentelijke of landenkenmerken (zoals het gevoerde beleid) en internationale verschillen (zoals klimaat, geografie). Elk van die lagen heeft een relatie met het (sport)gedrag van de jongere. Hoe dichter de laag bij de jongere staat (zoals leeftijd of persoonlijke motieven), hoe sterker de relatie met het (sport)gedrag. Hoe verder de laag (zoals beleid) staat van de jongere, hoe indirecter de relatie. Als beleidsmakers gedrag succesvol willen beïnvloeden, aldus Bronfenbrenner, moet de optelsom van al deze factoren bekeken worden. Zo’n ‘integrale’ benadering kan enkel door inzichten uit verschillende onderzoeksdisciplines (psychologie, sociologie, economie, …) samen te leggen.

Sinds enkele jaren wordt dit sociaalecologisch model ook steeds meer toegepast om verschillen in sportgedrag te duiden. Dat deed ook het Nederlandse Sociaal en Cultureel Planbureau in het rapport Kansen op sportieve groei? waarin het antwoord zocht op de vraag welke persoonlijke, interpersoonlijke, omgevings- en beleidskenmerken samenhangen met sportparticipatie.

In het kader van het onderzoeksproject Fitfluencers loont het om in te zoomen op deze verschillende kenmerken en de impact ervan op het sportgedrag van Gen Z.

Vertrouwen in eigen kunnen bepaalt of Gen Z sport op lange termijn volhoudt

Wat individuele factoren betreft, zijn verschillende sociaaleconomische kenmerken gerelateerd aan sportdeelname van jongeren. Zo hebben jongens een grotere kans om te sporten dan meisjes. Ook het opleidingsniveau van de ouders speelt een rol, net als de eigen gezondheid (hoe gezonder jongeren zichzelf inschatten, hoe meer ze sporten). En hoe ouder ze worden, hoe minder ze aan sport doen.

Uiteraard speelt motivatie ook bij Gen Z een belangrijke rol bij. Kort samengevat is motivatie een gefaseerd proces, van helemaal niet gemotiveerd, via extrinsiek gemotiveerd naar intrinsiek gemotiveerd (Deci & Ryan, 2002; Ryan en Deci, 2000). Extrinsieke motivatie kan zowel uit de jongere zelf komen (ze voelen zich verplicht, of ze schamen zich bij niet-sporten) of door druk van buitenaf (zoals de sociale druk tot een gezonde levensstijl). Bij intrinsieke motivatie beleeft de jongere plezier aan de activiteit zelf. Jongeren die slechts af en toe sporten zijn vaker extrinsiek gemotiveerd, terwijl frequente sporters vaker een intrinsieke motivatie hebben. Onderzoek toont ook aan dat wanneer beginnende sporters vaker gaan sporten, ze steeds meer intrinsiek gemotiveerd raken. Die intrinsieke motivatie is verbonden aan de eigeneffectiviteit: jongeren die vertrouwen hebben in hun sportieve vaardigheden hebben veel meer kans om te sporten dan jongeren die een lage eigeneffectiviteit rapporteren. Dat vertrouwen in eigen kunnen bepaalt ook mee of ze het sporten op langere termijn volhouden. Jongeren die competitie en het verbeteren van hun eigen prestaties belangrijk vinden, blijken trouwens frequenter te sporten.

Naast motiverende factoren zijn er ook factoren die de sportdeelname van jongeren belemmeren. Dit kunnen zowel lichamelijke als psychologische drempels zijn, zoals gebrek aan zelfverzekerdheid over het uiterlijk, te moe zijn, niet in goede gezondheid zijn of een gebrek aan energie, tijd of interesse. De vaakst gehoorde reden om niet te sporten is ‘geen zin’ of ‘andere prioriteiten’. Ook het gebrek aan sportmaatjes speelt een rol.  

Uit tweelingstudies blijkt bovendien dat ook genetische kenmerken bijdragen aan verschillen in sportgedrag. Bij jonge kinderen worden verschillen vooral bepaald door de omgeving waarin ze opgroeien. Die invloed van de omgeving neemt echter af naarmate kinderen ouder worden. De invloed van genen neemt dan weer toe vanaf de puberteit. Sportgedrag is voor een deel dus ook erfelijk, wat het voor sommige jongeren makkelijker maakt dan voor anderen om regelmatig te sporten.

De steun van het sociale netwerk beïnvloedt het sportgedrag van Gen Z

Interpersoonlijke kenmerken zijn de formele en informele sociale netwerken die een directe kring om de jongere vormen. Denk aan vrienden, familie, kennissen, … De sociale steun van dit netwerk heeft een belangrijke invloed op de motivatie om te sporten en interageert ook met de persoonlijke kenmerken. Sociale steun kan op verschillende manieren plaatsvinden: informatief (zoals advies en informatie geven over waar jongeren aan sport kunnen doen), emotioneel (motiveren om te gaan sporten), structureel (zoals vervoer regelen om bij sportinfrastructuur te geraken) en evaluatief (feedback geven op het sportgedrag). Jongeren die veel sociale steun ervaren, hebben meer kans om (frequent) te sporten. Sociale steun van een netwerk heeft te maken met de normen en waarden ten opzichte van sport. Als de familie- en vriendengroep sport belangrijk vindt, dan zullen ze dit ook stimuleren. Opgroeien in een gezin waar sport de norm is, vergroot de kans om zelf te sporten. Sportief voorbeeldgedrag dus.

Omgeving moet sport- en beweeggedrag uitlokken

Naast de sociale steun en het belang van normen en waarden uit het directe netwerk van de jongere, speelt ook de sociale omgeving een rol. Terwijl het bij interpersoonlijke kenmerken gaat om het direct contact met vrienden en familie, draait het bij de sociale omgeving meer om leefbaarheid, sociale cohesie en veiligheid. Zo toont heel wat onderzoek een verband tussen sportdeelname en de sociaaleconomische status, leefbaarheid en veiligheid van de buurt. Wonen in een onveilige buurt is vooral voor jongeren met een lage eigeneffectiviteit een extra drempel om (niet) te gaan sporten.

Ook de fysieke omgeving is verbonden met het sportgedrag van jongeren. Denk aan de aanwezigheid van sportinfrastructuur, voet- en fietspaden, parken, … Als de omgeving niet uitlokt tot sporten of bewegen, of zelfs een obstakel vormt, zijn jongeren minder geneigd om de sportschoenen aan te trekken. Onderzoek toont bovendien aan dat jongeren die weinig bewegen mogelijks nog meer belemmerd worden door barrières in hun fysieke omgeving.

Beleid oefent indirect effect uit op sportdeelname van Gen Z

Ook politiek-bestuurlijke factoren spelen een rol, maar hebben eerder een indirect verband met het sportgedrag van jongeren. Ze beïnvloeden vooral de factoren op individueel-, interpersoonlijk- of omgevingsniveau. Beleid (of subsidies) kunnen bijvoorbeeld zorgen voor meer investeringen in een bepaalde buurt, wat de fysieke en sociale omgeving verandert en zo een indirect effect uitoefent op de sportdeelname van jongeren.

Als beleidsmakers en sportorganisaties nadenken over interventies om niet-sporters uit Gen Z in beweging te krijgen, zullen ze argumenten moeten vinden die aansluiten bij bovenstaande kenmerken en de interactie ertussen. Al te vaak worden sportinterventies en communicatiecampagnes bedacht door mensen die al overtuigd zijn van het belang van sporten en bewegen én zonder rekening te houden met het samenspel aan sociaalecologische lagen. Hierbij dan ook een oproep om jongeren actief te beginnen betrekken bij het opmaken van campagnes om Gen Z aan het sporten te krijgen/houden.

*****

Bronnen:

Deci, E. & Ryan, R. (2002). Handbook of self-determination research. Rochester, University Rochester Press.

Hoekman, R. (2018). Sport policy, sport facilities and sport participation. A socio-ecological approach. Nijmegen, Radboud Universiteit Nijmegen.

Ryan, R. en Deci, E. (2000). Self-determination theory and the facilitation of intrinsic motivation, social development, and well-being. American Psychologist, 55 (1), 68-78.

Tiessen-Raaphorst, A., Woittiez, I., Vonk, F. en Pulles, I. (2019). Kansen op sportieve groei? Een verklarend model van sportdeelname. Den Haag, Sociaal en Cultureel Planbureau.

Van Tuyckom, C. (2011). Sport for all: fact or fiction? Individual and cross-national differences in sport participation from a European perspective. Gent, Universiteit Gent.

Deze blogpost is geschreven in het kader van een Howest onderzoeksproject rond Generatie Z. Project Fitfluencers maakt influencer marketing principes bruikbaar in niet-commerciële context met het oog op gedragsverandering bij jongeren. Op de hoogte blijven van het project?